Vaargeul de Boontjes kent 95% minder baggerwerk
In vaargeul de Boontjes tussen Harlingen en Kornwerderzand is het baggerwerk in 1 jaar tijd met 95% afgenomen. Rijkswaterstaat verwijderde in 2025 nog slechts rond de 8.000 m3 sediment, tegenover ruim 175.000 m3 het jaar ervoor. De daling volgt op de keuze om de onderhoudsdiepte per 1 januari 2025 te verondiepen van -3,80 naar -3,30 m NAP.
Het is een maatregel die minder verstoring van de natuur moet opleveren, maar die tegelijk invloed heeft op de scheepvaart. De komende jaren moet duidelijk worden wat de gevolgen zijn op het bodemleven.
Om dat te onderzoeken voert een team van Wageningen University & Research deze week metingen uit vanaf de YE42 Anne Elisabeth, een voormalig kokkelschip dat nu dienstdoet als monitoringsschip. Terwijl het schip de haven van Harlingen uitvaart, trekt een hagelbui over en kraken de lieren in de wind.
Op 20 vaste locaties in de Boontjes laat het team een bodemschaaf zakken, een metalen frame dat zo’n 100 m over de zeebodem schuift. Het materiaal dat bovenkomt wordt aan dek gezeefd. Tussen het zand en slik verschijnen vooral nonnetjes, slijkgapers en kleine krabben. Soms ook exotische soorten zoals de Amerikaanse strandschelp. Eventuele vissen verdwijnen direct terug het water in.
Naast de schaafmetingen gebruikt het team op zo’n 45 meetpunten ook een boxcore, een robuust metalen frame dat in de bodem wordt gedrukt. Daarmee komt een intact bodemmonster van zo’n 30 cm mee naar boven. Vervolgens wordt ook dit monster uitgezeefd. De boxcore geeft vooral inzicht in kleinere soorten die in de bodem leven, zoals wormen.
Uit de nulmeting van 2024 blijkt dat gebaggerde delen duidelijk minder variatie en lagere biomassa hebben dan referentiegebieden waar niet wordt ingegrepen. In het referentiegebied komen meer soorten en vooral veel meer individuen per vierkante meter voor. Verspreidingslocatie Kimstergat, waar baggerslib wordt neergelegd, laat weer een andere soortensamenstelling zien met onder andere meer vlokreeftjes.
De metingen van 2025 en 2026 moeten laten zien of de nieuwe aanpak leidt tot herstel van bodemleven en minder verstoring door baggeren.
Het is een maatregel die minder verstoring van de natuur moet opleveren, maar die tegelijk invloed heeft op de scheepvaart. De komende jaren moet duidelijk worden wat de gevolgen zijn op het bodemleven.
Om dat te onderzoeken voert een team van Wageningen University & Research deze week metingen uit vanaf de YE42 Anne Elisabeth, een voormalig kokkelschip dat nu dienstdoet als monitoringsschip. Terwijl het schip de haven van Harlingen uitvaart, trekt een hagelbui over en kraken de lieren in de wind.
Op 20 vaste locaties in de Boontjes laat het team een bodemschaaf zakken, een metalen frame dat zo’n 100 m over de zeebodem schuift. Het materiaal dat bovenkomt wordt aan dek gezeefd. Tussen het zand en slik verschijnen vooral nonnetjes, slijkgapers en kleine krabben. Soms ook exotische soorten zoals de Amerikaanse strandschelp. Eventuele vissen verdwijnen direct terug het water in.
Naast de schaafmetingen gebruikt het team op zo’n 45 meetpunten ook een boxcore, een robuust metalen frame dat in de bodem wordt gedrukt. Daarmee komt een intact bodemmonster van zo’n 30 cm mee naar boven. Vervolgens wordt ook dit monster uitgezeefd. De boxcore geeft vooral inzicht in kleinere soorten die in de bodem leven, zoals wormen.
Uit de nulmeting van 2024 blijkt dat gebaggerde delen duidelijk minder variatie en lagere biomassa hebben dan referentiegebieden waar niet wordt ingegrepen. In het referentiegebied komen meer soorten en vooral veel meer individuen per vierkante meter voor. Verspreidingslocatie Kimstergat, waar baggerslib wordt neergelegd, laat weer een andere soortensamenstelling zien met onder andere meer vlokreeftjes.
De metingen van 2025 en 2026 moeten laten zien of de nieuwe aanpak leidt tot herstel van bodemleven en minder verstoring door baggeren.

Geen opmerkingen: